Naast Fécamp ligt een de 110 meter hoge klif kaap Fagnet. Al jaren droomt Myriam ervan om deze te beklimmen. Maar voor een klim moet je met twee zijn (1). Maar daar de schipper van de derde dimensie geen kaas gegeten heeft, is het de taak van de Verkenner om Myriam naar deze Normandische Alpenreus te vergezellen.
En aldus beklimmen zij gezwind via trap en straat de Côte de la Vierge tot de havenhoofden van Fécamp in een duizeligwekkende diepte liggen. Waar zij eens stopten om zich aan te passen aan de hoogte is de schrijver echter niet gekend.
Op de top merken zij dat zij niet de eersten zijn. Reeds voor Caesar (2) waren er de Galliërs (3) en in later tijden tot de horden van het Derde Rijk (4) die er pogingen tot bewoning ondernamen. Maar allen verdwenen weer in de plooien van de geschiedenis. Alleen Onze Lieve Vrouw slaagde erin en woont nu al een tijdje in haar kerkje op de top en het Franse Leger bemant er een semaphoor om de scheepvaart te bewonderen.
Toen de zon in de lager liggende zee verdween en dus de koude kwam waren Myrian en de Verkenner genoodzaakt de top te verlaten. De afdaling verliep voorspoedig en zonder blijvende letsels bereiken zij weer het zeeniveau. In deze tweedimensionele wereld ontmoeten zij weer de schipper die blij is dat dit roekeloos avontuur toch een goed einde heeft gekend.
Noot 1 : ze noemen dat een cordee of zoiets.
Noot 2 : volgens de Verkenner spreek je dit uit als kaɪsar.
Noot 3 : waarvan de Belgen de dappersten waren.
Noot 4 : leefden in betonnen holen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten