Wij varen langsheen de snoer van Oost-Friese eilanden naar de Jade- en Wesermonding. Boven ons een grijze hemel, onder ons een grijze zee. Wind is er haast niet, stroming wel. Ze duwt ons sterk in de juiste richting.
Uit de grijze lucht maken zich mistslierten los. Met een koude zucht draaien ze omheen de Waggel en verdwijnen weer. Den Duvel kijkt verschrikt op. "Zeemeerminnen?" vraagt de schipper. "Nee, die komen in deze koude wateren niet voor. Vergeet niet dat ze topless zwemmen hé" antwoordt den Duvel.
Weer draait een sliert mist omheen de boot. Den Duvel fluistert "Zeemimfen". "Wat zijn dat?" vraagt de schipper hem. "Psssst ... zwijgen" antwoord den Duvel. Een nieuwe koude veeg mist komt langs. Iedereen zwijgt, alleen het Gele Beest bromt rustig verder. "Ze zitten in de stroming" fluistert Den Duvel weer.
Wanneer wij de Jade bereiken valt de stroming weg en verdwijnen de zeenimfen. De zon breekt door het wolkendek en het grijze verdwijnt. Na Jade en Weser bereiken wij de Elbemonding. Er staat een sterke tegenstroom. Wij wroeten ons urenland naar binnen. De zon zakt aan een blauwe hemel in een staalgrijze zee. Wanneer het donker ons omringt bereiken wij Cuxhaven.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten